In Torshavn gaat een gedeelte van de passagiers van boord en komen er weer anderen aan boord.
Wij vertrekken in de mist. Maar na een tijdje trekt deze wat op en zijn aan weerszijden de eilanden van Far Oer zichtbaar. Steil aflopende groene hellingen met hier en daar een huisje. De toppen zijn nog in mist gehuld.
Geheel volgens schema meren wij om 9:30 uur af in Seydisfjordur.
De douane afhandeling gaat erg simpel. Twee vrouwelijke beambten staan tussen de langzaam rijdende stroom auto’s en campers die door de veerboot zijn uitgebraakt. Af en toe houden ze iemand staande en stellen een vraag, zoals aan mij; “Hoe lang blijft u op IJsland?” Antwoord; “Ongeveer drie weken” “Ik wens u een prettig verblijf”. Ook de speurende ogen van de politie zien geen aanleiding om mij uit de rij te halen. An, die te voet van boord is gegaan, staat al geduldig te wachten op een lift.
In Egelstadir doen wij inkopen in de welvoorziene supermarkt. Er is voldoende keuze in groente en fruit, vlees en vis. Vleesvervangers zijn wat minder gangbaar in dit land waar vis en lamsvlees de boventoon voeren. De prijzen liggen hier gemiddeld toch wel een stuk hoger dan in Nederland. Bijzonder is dat de winkel ook een enorme hoeveelheid wol verkoopt! Voor de lange winter?
Wij hebben lang getwijfeld of wij tegen de klok in dan wel met de klok mee rond IJsland zouden rijden. Het weerbericht voor het zuiden was regen dus het wordt tegen de klok in. De rondweg heeft als nummer, 1. De tamelijk smalle weg voert ons door een kaal en wijds landschap. Af en toe wat schapen of paarden en overal water in de vorm van snelstromende beekjes, kleine plasjes en af en toe een meertje. En dan onze eerste waterval, de 139 m hoge Rjukandafoss.
Om de camping te bereiken, verlaten wij de 1 en gaan links een steenslagweg op die ons naar Mödrudalur voert, de hoogst gelegen boerderij (469 m en nu een vakantieverblijf) van IJsland. Het is een kleine buurtschap met een café, een camping en een kerkje. Die laatste is in 1949 gebouwd door de boer Jón A. Stefánsson zelf. Ook het altaarstuk is van zijn hand.
Wij zetten de camper aan de rand van de wijdse hoogvlakte die begroeid is met een vegetatie van grassen, bloeiende planten en dwergheesters. Bonte strandlopers reageren gealarmeerd als ik het gebied ga verkennen. Even verderop een Goudplevier die mij ook van snode plannen verdenkt. In de verte klinkt het rollende geluid van de Wulp.
De camping is redelijk bezet. Er is WiFi bij de receptie en het sanitair is prima m.u.v. de enige douche die nog functioneert en vies is. Een keer niet douchen is ook geen ramp.


















Geen opmerkingen:
Een reactie posten